CDA
Klus Strategisch Beraad bijna geklaard
1Gisteren presenteerden we als strategisch beraad van het CDA ons rapport: “Kiezen en Verbinden”. Een politieke visie vanuit het radicale midden.
Vanaf juni zijn we als strategisch beraad iedere twee weken op zaterdag bijeen geweest. Het waren bijzonder inspirerende bijeenkomsten, waarbij tal van onderwerpen de revue passeerden. Geen bespreekpunt was taboe en er werd met veel respect voor elkaars standpunten gediscussieerd. Het was een bijzonder mooie ervaring om deel uit te mogen maken van zo’n bijzondere groep mensen, met zoveel kennis en competenties. Toen we gisteren als (bijna) voltallig strategisch beraad bij elkaar zaten, had ik ook echt het gevoel om tussen vrienden te zitten. We deelden in de opluchting dat het rapport bij onze achterban erg goed is gevallen en ook in de trots dat we dit toch op een relatief korte termijn voor elkaar hebben gekregen.
Half december sloeg bij mij wel even de twijfel toe. Gaan we het op tijd halen? Is de inhoud wel vernieuwend en inspirerend genoeg? De verwachtingen waren zo hoog gespannen, dat ik er een beetje zenuwachtig van werd. We hebben toen ook besloten om een weekend (vrijdag en zaterdag) aan een stuk door te werken, om van alle losse eindjes die we tot dan toe op schrift hadden gezet één samenhangend verhaal te maken. In dat weekend is ook een enorme slag gemaakt. Maar ook daarna moest nog hard gewerkt worden om alle puntjes op de i te zetten.
Ik denk dat het voor onze partij goed is dat dit rapport er nu is. Het geeft een helder beeld aan een ieder, waar het CDA nu precies voor staat. Dat beeld was in de afgelopen periode wat vertroebeld geraakt. Voor mij is het erg belangrijk dat we dezelfde vaste ankerpunten, die de christen democratie al vanaf het begin dragen, weer opnieuw hebben bevestigd . Ik noem daar enkele ankerpunten van, die in ons rapport -samen met andere ankerpunten- uitvoeriger aan de orde komen, die mij in het bijzonder aanspreken:
- De bijbel en de christelijk sociale traditie blijven de bronnen vanwaaruit wij onze inspiratie putten.
- Het CDA blijft ook de partij die waarden en normen voortdurend op de agenda zet, niet alleen om aan te geven waar we voor zijn, maar ook waar we tegen zijn en waar we ons dus altijd tegen zullen blijven verzetten, zoals de zucht naar het snelle geld, de onverschilligheid en het zaaien van verdeeldheid tussen mensen.
- Het CDA gelooft in de kracht van de samenleving, die onder meer zichtbaar wordt in de nog steeds grote onderlinge betrokkenheid van mensen en de vele (innovatieve) initiatieven van maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven.
- Het CDA biedt zekerheid en houvast, maar daagt mensen ook uit om mee te doen. In het rapport wordt dat treffend verwoord met: “Iedereen heeft het recht om mee te doen en de plicht om bij te dragen”. Niemand mag aan de kant blijven staan. Dat is pas écht sociaal. Zij die niet de veerkracht bezitten of onvoldoende toegerust zijn om hun plek op de arbeidsmarkt te vinden, moeten natuurlijk altijd op de solidariteit van de samenleving kunnen blijven rekenen.
- Het CDA blijft ook kiezen voor het gezin. Voor een sterke samenleving zijn sterke gezinnen nodig. In gezinnen worden waarden en normen overgedragen op de kinderen en wordt een veilige omgeving geboden om te leren.
- Het CDA kiest ervoor om de overheid, maar óók de markt, als instrument te zien voor de samenleving. Daarmee kiest het CDA dus niet voor links (meer overheid) of rechts (meer markt) maar voor het midden (meer samenleving). Dat is een radicale keuze, vandaar de term “radicale midden”. De keuze voor de samenleving betekent dat het CDA veel ruimte wil voor het maatschappelijk initiatief en de verschillen accepteert die dat tot gevolg heeft.
In het rapport worden de grootste uitdagingen van de komende tijd benoemd en wordt beschreven hoe we die uitdagingen tegemoet willen treden. Het zal niemand die mij goed kent verrassen dat ik buitengewoon tevreden ben voor de keuze voor vraaggestuurde zorg en keuzevrijheid in de zorg. Ook kiest het CDA met nadruk voor de inclusieve samenleving, waar ook mensen met beperkingen, tot hun recht kunnen komen. Het CDA kiest ook voor een slagvaardige overheid en degelijke overheidsfinanciën. We mogen het voor onze kinderen toch niet accepteren dat iedere Nederlander al met een schuld van 50.000 euro wordt geboren? We zullen echt zuiniger moeten worden, ook al vraagt dat soms om pijnlijke keuzes. Ook de keuze voor duurzaamheid spreekt mij zeer aan. Respectvol omgaan met natuur en milieu en dat combineren met een gezonde economische groei. Hoewel het Strategisch Beraad nergens met geld strooit, wordt een uitzondering gemaakt voor onderwijs. Daar dient verder in geïnvesteerd te worden, om Nederland op een toppositie te houden en om mensen maximaal te laten meedoen in de samenleving.
Aan het eind van het rapport wordt voorgesteld om met elkaar in beweging te komen, om Nederland structureel te versterken. Die bewegingen zijn:
- Van vrijblijvend naar betrokken
- Van grenzen naar ruimte
- Van verbruiken naar waarderen
- Van polarisatie naar participatie
- Van nazorg naar voorzorg
De klus van het strategisch beraad is bijna geklaard. Bijna, want met het rapport dat er nu ligt gaan we de komende maanden het land in. We hopen dat tal van CDA afdelingen het rapport gaan agenderen, zodat er binnen onze partij een gedegen, inhoudelijke discussie over kan gaan plaatsvinden. Gisteren op het congres was daarvoor de aftrap, die me het vertrouwen gaf dat we tot veel zinvolle en geïnspireerde gesprekken zullen komen. In het congres op 2 juni zal de partij zich uitspreken over de strategische koers.
Moet Mauro blijven?
4Moet Mauro blijven? Deze vraag heeft in de afgelopen week de gemoederen in ons land flink in beweging gebracht, tot zelfs in de Tweede Kamer aan toe. Al die Nederlanders, die zo hard roepen dat we ‘overspoeld’ worden met buitenlanders en die zelfs om die reden op de PVV hebben gestemd, staan nu vooraan om het voor Mauro op te nemen. En dat is ook niet verwonderlijk. Wat Mauro heeft ‘een gezicht’ gekregen.
Toen ik nog voorzitter was van de stichting Kerk en Vluchteling in Huizen, had ik ook dagelijks te maken met mensen die voor mij een ‘gezicht’ gekregen hadden. En ik heb sindsdien de overtuiging dat geen enkele asielzoeker (of economische vluchteling) voor zijn of haar plezier het eigen land ontvlucht. Ieder mens, ieder gezin, dat naar Nederland komt heeft, net als Mauro, een eigen verhaal. Het zijn mensen zoals u en ik. Kinderen, jongeren, en volwassenen. Zij zoeken allemaal, net als wij, naar kansen om van hun eigen leven iets zinvols te maken. En de ouders die hier met hun kinderen naartoe komen maken zich, net als wij, druk om de toekomst van hun kinderen.
Als CDA vrouwen in Huizen stuurden wij enkele weken geleden een brief aan minister Leers, met de volgende boodschap:
We zullen als CDA, misschien tegen de publieke opinie in, een duidelijke christen-democratische stellingname moeten kiezen die de gastvrijheid, maar óók de menselijke maat als uitgangspunt neemt. Daar hoort wat het CDAV Huizen betreft het volgende bij:
a. Zo veel als mogelijk opvang van vluchtelingen in de eigen regio organiseren (daar mag dus ook meer ontwikkelingsgeld naar toe). Dit niet vanuit het eigenbelang, maar vanuit het belang van de mensen die het betreft. Deze door oorlog of armoede vaak totaal ontredderde mensen krijgen in onze westerse wereld namelijk óók nog eens een culturele shock te verwerken. Veelal zijn deze mensen -ook op de langere termijn- uiteindelijk gelukkiger in hun eigen cultuur dan in een vervreemdend en complex westers land als Nederland.
b. Snelle asielprocedures in Nederland, om wachtende mensen niet lang in de huidige gekmakende onzekerheid te laten.
c. Mensen iets ruimer de tijd geven om het land te verlaten (het besluit dat dit onvermijdelijk is moet verwerkt worden en mensen moeten weer een nieuw plan kunnen maken, ook mentaal).
d. In die tijd in ieder geval opvang garanderen (geen mensen op straat).
e. Meer investeren in organisaties als Cordaid, voor maatwerk aan mensen in individuele terugkeerprogramma’s.
f. Een strenge aanpak voor mensen die niet in Nederland mogen blijven, maar willens en wetens hun uitzetting tegenwerken (hoe begrijpelijk vanuit hun perspectief soms ook). Deze mensen moeten niet in de illegaliteit terechtkomen, maar daadwerkelijk uitgezet worden.
g. Altijd oog houden voor schrijnende situaties van mensen (niet omdat omstanders het ‘zielig’ vinden, maar na overleg met professionele én maatschappelijke organisaties die dit ook goed kunnen beoordelen en die van oudsher ook de CDA achterban vormen). In die zin voorziet ons stelsel niet voor niets in een eigen discretionaire bevoegdheid van de minister. Maak daar ruimhartig gebruik van, als dat nodig is.
h. Maatwerk leveren als er kinderen van asielzoekers bij een uitzetting zijn betrokken, die zo lang in Nederland wonen, dat zij de taal van het land van herkomst vaak niet eens meer spreken en totaal ‘verwesterd’ zijn. Deze kinderen mogen uiteindelijk niet de dupe worden van het gedrag van hun ouders of van rigide regelgeving.
Wij hebben van minister Leers nog geen reactie op deze brief ontvangen, maar voelen ons wel gesteund door de brede CDA achterban, die op het congres gisteren ook pleitte voor een meer mensgericht asielbeleid.
In mijn optiek moeten kinderen als Mauro direct na hun aankomst in Nederland weer met hun biologische ouders herenigd worden. Dat is waar kinderen thuis horen. Als die ouders er niet zijn, of niet te vinden zijn, dan zouden deze kinderen, -begeleid door een Nederlandse organisatie- in een kindertehuis in het land van herkomst (of in een veilig buurland) opgevangen moeten worden. Daar kunnen zij zich binnen hun eigen taal en cultuur verder ontwikkelen. Dat zijn ook rechten van een kind.
Voor Mauro is dit nu te laat. Dat geldt, zoals ik me dat heb laten vertellen, ook voor zo’n 75 andere kinderen in een vergelijkbare situatie. Laten we dan ook erkennen dat het huidige asielbeleid, destijds ingezet door Job Cohen, vanuit het oogpunt van de rechten van het kind, hier gefaald heeft. Dat we in het verleden onvoldoende rekening hebben gehouden met het gegeven dat een kind zich na enkele jaren nu eenmaal hecht aan een nieuwe omgeving. Voor deze kinderen dienen we als CDA compassie te hebben. Mededogen, barmhartigheid, om het maar in christelijke termen te zeggen. Genade moet nu dan dus ook maar gelden voor recht. Om vervolgens het recht zodanig aan te passen, dat we ons in de toekomst niet meer hoeven te schamen met hoe wij in ons land met deze mensen (met én zonder gezicht naar het brede Nederlandse publiek toe) omgaan.
Eigen bijdrage GGZ
3In de afgelopen week werd ik door een psychiater gewezen op een wel heel vreemde passage uit het regeerakkoord VVD-CDA.
“De eigen bijdragen in de eerste lijn-ggz worden verhoogd en voor de tweede lijn-ggz wordt een eigen bijdrage ingevoerd”.
Om eerlijk te zijn heb ik daar bij de totstandkoming van het regeerakkoord echt overheen gelezen. Ik heb mijn twijfels bij het eigen bijdragesysteem voor kostenbeheersing in de zorg, omdat de kosten in de zorg mijns inziens niet stijgen door de vraag, maar door een ongebreideld uitbreiden van het aanbod, ook als daar bij de betrokkenen helemaal geen behoefte aan is.
Ik ben wel een voorstander van inkomensafhankelijke eigen bijdragen. Dat sluit aan bij mijn overtuiging dat mensen in principe zelf verantwoordelijk zijn voor hun gezondheid en hun welzijn en dus ook –voor zover dat in hun vermogen ligt- daar zelf financieel in voorzien. Pas als dat niet mogelijk is, komt hulp vanuit de overheid in beeld. “Gespreide verantwoordelijkheid waar het kan, solidariteit waar het moet” noemen we dat.
Het bijzondere hier is echter, dat de eigen bijdrage alleen in de GGZ wordt toegepast. Er wordt dus een verschil gemaakt tussen mensen met een aandoening van de hersenfuncties en mensen met een aandoening in andere lichamelijke functies. De minister zou volgens de betreffende psychiater het beleid hebben verdedigd met een uitspraak dat “mensen eerst meer moeten zoeken naar hulp in de eigen omgeving”. In het algemeen kan ik deze mening delen, maar dit argument schiet om meerdere redenen tekort voor mensen met een psychiatrische aandoening.
Ten eerste, de problematiek die psychiaters in de regel behandelen zijn geen kleine klachten, maar ernstige depressies, manisch depressiviteit, schizofrenie, dan wel andere ernstige verstoringen in hersenfuncties die zich uiten in stoornissen in denken, voelen of gedrag. Deze stoornissen zijn niet op te lossen met ‘praten’ met de buurman of buurvrouw.
Ten tweede leert de ervaring dat de drempel om naar een psychiater te gaan erg hoog is. Immers, als bekend is dat je onder behandeling van een psychiater bent (geweest), verlaagt dat toch de kansen op een baan en zelfs op vriendschappen. Er is nu eenmaal helaas nog veel onbegrip en negatieve beeldvorming rond mensen met een psychiatrische aandoening in onze maatschappij.
Ten derde is een gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening vaak ook dat mensen maatschappelijk minder goed functioneren. In veel gevallen uit zich dit onder meer in een laag inkomen of in schuldenproblematiek. Daarbij opgeteld dat deze mensen ook niet altijd een goed beeld hebben van de ernst van de eigen aandoening, is de kans groot dat men zich vanwege de kosten gaat afsluiten voor behandeling. Los van de gevolgen die dit voor de betrokkene heeft, vergroten we hiermee overigens ook een bredere maatschappelijke problematiek, met alle kosten (voor o.a. gemeenten en politie) die dat weer met zich meebrengt.
Ik vind het dan ook echt heel erg fout dat nu juist de mensen met een psychiatrische aandoening kennelijk minder serieus worden genomen dan mensen met een ‘aantoonbaar’ lichamelijk defect. Natuurlijk is dit onkunde, maar ik vind het ook een respectloze opvatting die volstrekt haaks staat op de ernst en de omvang van het lijden van deze mensen en dat van hun naasten. Het ventileren van deze opvatting door nota bene onze eigen overheid is overigens ook -vanuit een maatschappelijke context gezien, waar we nu juist proberen om betrokkenheid bij deelname van GGZ cliënten aan de samenleving te vergroten- niet zonder risico’s.
Ik heb de betreffende psychiater dan ook beloofd om in mijn netwerk duidelijk maken dat deze eenzijdige maatregel voor mensen met psychiatrische aandoeningen écht onverstandig is en ook zeker niet past bij ons christen democratisch uitgangspunt dat we er als overheid moeten zijn voor alle burgers die op eigen kracht hun deelname aan de samenleving niet kunnen organiseren, ongeacht de (medische) reden daarvan.
Eigen bijdragen in de zorg zijn goed te onderbouwen, maar dan inkomensafhankelijk en zeker niet alleen ten koste van een doelgroep waarvan we nu al weten dat zij zich toch niet zullen verweren!
Uitgangspunten CDA onder de loep
0Gisteravond waren we met een delegatie vanuit Huizen aanwezig bij een bijeenkomst over de CDA uitgangspunten. De bijeenkomst was in Houten (één van de vier soortgelijke bijeenkomsten door het hele land) en werd uitstekend geleid door Jacobine Geel. Wat een aansprekend mens is dat toch! Er werd volop gediscussieerd en daar was ook veel ruimte voor. Over de betekenis van de C van het CDA bijvoorbeeld, maar ook over onze kernwaarden zoals gespreide verantwoordelijkheid, gerechtigheid, solidariteit en rentmeesterschap. Passen die oude woorden nog in deze tijd en zo ja, hoe vertalen we die dan in de praktijk. Mooie woorden zijn belangrijk, ook voor onszelf, om ons steeds weer te realiseren welke idealen we nastreven. Maar geloofwaardig zijn we pas als we die woorden ook zichtbaar omzetten in daden.
We hadden ook een interessante discussie over de ‘ik cultuur’. Aanwezige jongeren wezen erop dat jongeren van nu juist heel erg in een ‘wij cultuur’ leven. Ze zoeken elkaar op en delen dingen samen. Wat me uit deze discussie duidelijk werd is dat we heel vaak ‘beelden’ hebben die -als we echt goed kijken- niet altijd blijken te kloppen. Dat geldt niet alleen voor de beeldvorming van onze jeugd, maar ook van bijvoorbeeld groepen allochtonen, religies etc. We moeten onze beelden steeds weer durven herzien en dat kan alleen als we dicht bij mensen blijven.
Wat doet een wethouder uit Huizen in het strategisch beraad van het CDA?
0In Huizen hebben we al jaren een innovatief beleid op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Als ik dit beleid aan gewone mensen uitleg, begrijpen ze vaak niet wat er zo innovatief aan is. “Vraaggestuurd”, dus ondersteuning bieden op basis van wat mensen zelf vinden dat zij écht nodig hebben en op een manier zoals zij het graag zouden willen, dat klinkt toch eigenlijk heel gewoon?
De mensen die het betreft weten wel beter. Als je door ziekte of beperkingen afhankelijk bent geworden van hulpmiddelen of van ondersteuning of zorg door anderen, dan ervaar je dagelijks aan den lijve hoe weinig “vraaggestuurd” zorg en welzijn in ons land geregeld zijn. Veel voorzieningen passen totaal niet bij wat mensen daadwerkelijk nodig hebben, maar worden gebruikt vanwege gebrek aan beter. En wat wel nodig of gewenst is, dat is er vaak gewoonweg niet. Ik kan daar -uit mijn eigen praktijk als wethouder- tal van voorbeelden van geven.
In Huizen zijn we het daarom anders gaan doen. We gaan dus uit van “vraagsturing”. De kern is dat we de regie over de vraag hoe iemand zijn of haar eigen leven wil inrichten hebben neergelegd bij de betrokkene zelf, óók als daarbij ondersteuning van anderen nodig is. Niet de (gemeentelijke) overheid bepaalt wat nodig is. Ook niet de professional. Ook niet een ‘indicatie-orgaan’. Maar uitsluitend de betrokkene zelf. Mocht datgene wat nodig is er simpelweg niet zijn, dan moet de (gemeentelijke) overheid ervoor zorgen dat het er komt.
Vraagsturing is niet: “U vraagt, wij draaien”. Het is veel meer “samen de beste oplossing zoeken”. Dan sta je als overheid en burger naast elkaar, niet tegenover elkaar. Dan neem je ook beiden je verantwoordelijkheid. Inherent daaraan is dus, dat de betrokken burger zelf ook aangeeft wat hij of zij op eigen kracht kan doen, al dan niet met behulp van de eigen sociale omgeving. Als dit niet voldoende is, dan geeft de betrokkene ook zelf aan waar en welke professionele ondersteuning nodig is. En als overheid sta je er dan natuurlijk voor in, dat die passende ondersteuning er komt.
Als ik nu de landelijke discussies volg, dan denk ik: “Kom nou eens in Huizen kijken”. Natuurlijk moet er bezuinigd worden, óók in de zorg en óók in de maatschappelijke ondersteuning. Als we dat niet doen, dan houden we op de langere termijn de zorg en de ondersteuning niet meer betaalbaar voor de mensen die dat écht nodig hebben. Dat zou pas echt asociaal zijn. Maar we moeten niet de fout maken die we -bijna als reflex- altijd maken als we gaan bezuinigen, namelijk met de botte bijl voorzieningen wegsaneren.
Hoe dan wel?
Laten we -óók in de AWBZ- een kanteling maken van aanbodsturing naar vraagsturing. Maar dan ook een echte kanteling, dus rigoureus! Geen voorzieningen blijven financieren, maar de vraag gaan financieren. Dat kan door middel van een PGB, maar het kan ook, zoals we dat in Huizen doen, klantvolgend. Ik pleit dus voor een veel meer op de individu toegespitste aanpak op de terreinen van zorg en welzijn. Als we dat in Nederland gewoon gaan doen, dus óók in de AWBZ, dan gaan we hetzelfde zien als wat in Huizen is gebeurd:
1.) Gebleken is dat veel meer mensen dan wij aanvankelijk dachten in staat zijn om hun leven op eigen kracht te regelen, zonder daar persé door de overheid gefinancierde hulp bij nodig te hebben;
2.) Maar voor iedereen die daarbij wél door de overheid gefinancierde zorg of ondersteuning nodig heeft, wordt die zorg of ondersteuning dan ook wel gegarandeerd ! (al dan niet met een PGB);
3.) Voorkomen wordt dat mensen die de eigen zorg of ondersteuning prima zelf kunnen regelen toch een beroep doen op (overheids)voorzieningen;
4.) Voorkomen wordt dat voorzieningen, soms met de beste bedoelingen, constant maar uitdijen of toenemen, terwijl de toegevoegde waarde voor mensen die daarvan gebruik maken nihil is.
De invoering van vraagsturing leidt in Huizen inmiddels al tot een beter passende zorg en ondersteuning voor onze burgers, maar levert tegelijkertijd ook behoorlijke bezuinigingen op, door tal van zaken niet meer te bekostigen, omdat er simpelweg geen vraag naar blijkt te zijn. Dat noemen we in Huizen: sociaal bezuinigen!
In de afgelopen week is bekend geworden dat het CDA een strategisch beraad heeft gevormd, dat mee moet gaan denken over de strategische koers van het CDA. Door CDA voorzitter Ruth Peetoom ben ik enige tijd geleden benaderd om deel te nemen aan het strategisch beraad. Zij deed dit, nadat zij mij in den Haag een toespraak had horen houden voor de bestuurdersvereniging van het CDA, waarin ik mijn visie op zorg en ondersteuning naar voren heb gebracht in relatie tot de situaties die ik meemaak in mijn dagelijkse praktijk als wethouder. Een visie, die mijns inziens naadloos aansluit bij datgene waar het CDA altijd voor heeft gestaan: de menselijke maat! Ik ben dan ook zeer vereerd dat aan mij gevraagd is om aan het strategisch beraad bij te dragen. Ik zie het ook als een grote verantwoordelijkheid. Het zal niemand verrassen dat ik de visie die ik heb op passende zorg en ondersteuning voor mensen die dat nodig hebben, ook buiten Huizen, stevig zal inbrengen.
We mogen als CDA mijns inziens nooit(!) meegaan in kille saneringen in de zorg en in de ondersteuning van mensen. Dat staat haaks op onze uitgangspunten, op ons mensbeeld, op wie wij zijn en op wie wij willen zijn voor anderen! Wij moeten er daarentegen pal voor staan, dat zorg en ondersteuning voor mensen die dat nodig hebben beschikbaar is en beschikbaar blijft. En dan niet magertjes en schraal, maar aansluitend bij de wens van veel mensen om hun levensloop, ondanks ziekte of beperkingen, op een waardige manier voort te kunnen zetten.
Ik ben ervan overtuigd dat dit kan. Oók binnen het huidige beperkte beschikbare budget. En óók binnen de huidige coalitie. Maar het vraagt wel om visie én daadkracht om deze omslag in ons land te maken.
Wat veilig is moet veilig blijven
0Huizen is volgens de cijfers een betrekkelijk veilig dorp en in die zin natuurlijk niet te vergelijken met de grote steden om ons heen. Toch vindt CDA Tweede Kamerlid Coskun Cörüz dat het aantal politieagenten in plaatsen als Huizen niet omlaag moet ten gunste van de grote steden. “Wat veilig is, moet ook veilig blijven”, betoogde Cörüz gisteren tijdens de CDA ledenvergadering in ‘t Visnet in Huizen.
Cörüz is een groot voorvechter voor nationale politie, waarbij de beheersmatige activiteiten landelijk worden geregeld, maar de ‘locale driehoek’ wordt versterkt. Dit is volgens hem absoluut niet schadelijk voor de locale zeggenschap over wat de politie doet. Integendeel. In de toekomst krijgt de burgemeester, maar ook de Raad, zelfs veel meer zeggenschap dan in de huidige situatie en wordt dat ook formeel geregeld. De nationale politieorganisatie met 10 (i.p.v. 26!) regionale korpsen moet ook de enorme bureaucratie bij de politie gaan terugdringen. De leden van de Huizer CDA fractie, die in de afgelopen weken in het weekend met de politie op pad zijn geweest, kunnen dat beamen. Bert Rebel heeft nog meer respect gekregen voor de agenten en de manier waarop zij optreden. Maar hij noemt het ook echt te zot voor woorden wat de politie allemaal moet opschrijven, handmatig en soms zelfs drie keer hetzelfde. Daardoor komt de politie veel minder toe aan de taken waar ze eigenlijk voor staan. Hij vraagt of er niet eens geïnvesteerd kan worden in fatsoenlijke automatisering. Cörüz antwoordt dat hier momenteel volop aan wordt gewerkt. De CDA fractie in de Tweede Kamer is hier voortrekker in. Op korte termijn zullen door de CDA fractie ook een aantal concrete ‘ontbureaucratiseringsvoorstellen’ worden gedaan, die meteen kunnen worden ingevoerd.
Veiligheid raakt volgens Cörüz alle haarvaten van de samenleving. Als je je niet veilig voelt, ga je ‘s avonds niet meer alleen naar je sportclub of vrijwilligerswerk doen. Veiligheid heeft dus een enorme impact op het dagelijks functioneren. Cörüz benadrukte dat veiligheid thuis begint. De ouders zijn primair verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen. Zij moeten kinderen normen en waarden bijbrengen en grenzen stellen. Volgens Cörüz verdienen we elke euro die we investeren in de ondersteuning bij de opvoeding aan jonge kinderen later 7x terug.
Veiligheid in de buurt volgt daarna. Als er meer sociale cohesie in een buurt of wijk is en mensen bereid zijn om een oogje in het zeil te houden, dan gaat ook daar een normerende werking van uit. Jongeren, maar ook volwassenen, worden dan weer openlijk aangesproken op hun gedrag. Dat alleen al levert een enorme impuls op voor de veiligheid.
Preventie is dan ook volgens Cörüz veel effectiever dan bestrijden van crimineel gedrag. Maar als er eenmaal sprake is van crimineel gedrag, dan moeten we ook weer niet blijven ‘polderen’, maar duidelijk grenzen stellen.
Cörüz is momenteel bezig met een initiatiefwetvoorstel, waarbij ouders kunnen worden aangesproken voor de schade die moedwillig door hun minderjarige kinderen wordt aangericht in de openbare ruimte. Op dit moment is dat niet goed geregeld en draait de samenleving als geheel voor die schade op. Jongeren die bijvoorbeeld na een avondje uit een hele rij auto’s vernielen door de buitenspiegels er af te schoppen realiseren zich niet dat dit gemiddeld meer dan 500 euro per spiegel kost. Een een kapot bushokje is al snel 1500 tot 2000 euro schade. De slachtoffers (particulieren, bedrijven of overheid) kunnen die schade momenteel nergens verhalen. Soms dekt een verzekering dit, maar dan gaat het ook om gemeenschapsgeld. Cörüz vindt dat verantwoordelijkheid van ouders twee kanten heeft. Het kan niet zo zijn dat ouders alleen maar geld krijgen voor de opvoeding van hun kinderen (zoals bijv. kinderbijslag en toeslagen), maar dat zij niets zouden moeten betalen als kinderen zich moedwillig misdragen.
In het algemeen ziet Cörüz een tendens om slachtoffers van criminaliteit en geweld beter te beschermen. Hij vindt dit een goede ontwikkeling. Ook het uiteindelijk isoleren van veelplegers (o.a. in de campementen waar jongeren én hun ouders heropgevoed worden) is soms nodig. Maar uiteindelijk is een normerende ouder toch altijd nog vele malen beter dan een normerende overheid. En dat is waar het CDA vooral op wil inzetten.
Voorzitter Wim Zwanenburg bedankt Coskun Cörüz voor de inspirerende avond. En dat was het zeker!
Samenwerking in de regio
0Vandaag hebben we als negen regiogemeenten (raadsleden, wethouders, burgemeesters en ambtenaren) uitvoerig gediscussieerd over de gewenste regionale samenwerking.
Aan deze discussie is een uitvoerig proces vooraf gegaan, waarin -onder leiding van Ben Hammer (oud wethouder van Hilversum en oud DB lid van het Gewest)- een rapport is opgesteld met concrete aanbevelingen voor regionale samenwerking. Sommige politieke partijen, waaronder ook het CDA, hebben hier regionale bijeenkomsten voor georganiseerd, om te bezien in hoeverre op partijniveau een eenduidig standpunt over de noodzakelijke c.q. gewenste regionale samenwerking kon worden gevonden.
Maatschappelijk innoveren tussen wens en werkelijkheid
1Voor wie dit nog niet wisten: ik heb in Utrecht Nederlands recht gestudeerd (daar heb ik mijn mr. titel aan te danken) en daarna heb ik ook weer in Utrecht bestuurskunde (of precies gezegd: recht, bestuur en management) gestudeerd (en daar heb ik mijn drs. titel aan te danken). Een paar weken geleden kreeg ik als oud-student een uitnodiging voor een lustrumviering van de faculteit Rechtsgeleerdheid, Economie en Bestuur en Organisatiewetenschap in Utrecht. Ik wist niet wat ik zag. Kennelijk is dit nu al vijf jaar één faculteit. Dat was me helemaal ontgaan en dat was in ‘mijn tijd’ echt ondenkbaar. Het programma van de viering zag er interessant uit, met als thema “Maatschappelijk innoveren tussen wens en werkelijkheid”. Ik besloot daarom om op deze uitnodiging in te gaan. Zo kwam ik afgelopen zaterdag dus terecht in een bomvol academiegebouw in Utrecht.
Voor mij weer even nostalgie, want het was best weer even geleden dat ik hier mijn bul kreeg. Dit keer was ik te gast bij een bijzonder inspirerende bijeenkomst, met sprekers als Jolande Sap, Sadik Harchaoui, Herman Wijffels, Agnes Jongerius, Paul Schnabel, Wouter Koolmees, Hanke Bruins Slot en vele anderen. De middag deed me beseffen hoe belangrijk het is dat in ons land -naast de politieke waan van de dag- ook door universiteiten wordt meegedacht over hoe het met onze samenleving verder moet. Ik wil u een paar inspirerende woorden van sprekers niet onthouden.
Sadik Harchaoui bijvoorbeeld, voorzitter van de Raad van Bestuur van Forum, maakte zich zorgen over het gebrek aan lange termijnperspectieven bij het immigratievraagstuk. Door de discussie over immigratie, zoals die nu in ons land gevoerd wordt, is er bij buitenlandse ondernemingen een kentering aan het ontstaan in het beeld van een tolerant Nederland. Nederland is grimmiger geworden ten opzichte van allochtonen en minder open minded. Dat beeld naar buitenlandse investeerders is ronduit slecht voor onze economie en volgens Sadik Harchaoui in tal van opzichten schadelijk voor de toekomst van ons land. Met een rekensommetje over de bevolkingssamenstelling in de Randstad legde hij haarscherp vast, dat nu al 17,7% van de bevolking bestaat uit niet-westerse allochtonen. Kijken we naar het totaal aantal allochtonen in de Randstad, dan komen we al gauw op ruim 40%. We weten bovendien, dat we in 2040 een enorm tekort zullen hebben aan hoog opgeleiden. Ook weten we dat veel allochtone jongeren aansluiting bij de maatschappij dreigen te missen. Allochtonen met gelijke startkwalificaties als autochtonen (dus met dezelfde vooropleiding) komen toch minder gemakkelijk aan een baan. Op dit moment is 24 tot 28 % van de allochtone jongeren werkloos. Dit is zorgelijk, want als we het economisch goed willen blijven doen, hebben we deze jongeren straks keihard nodig. Sadik Harchaoui pleitte dan ook voor het maximaal benutten van de talenten van (tweede- en derde generatie) autochtone jongeren én vrouwen. Niet afkomst moet centraal staan, maar toekomst.
Jolande Sap sprak over twee paradoxen, die ik ook in mijn dagelijkse praktijk als wethouder wel herken. Mondige burgers willen hun eigen leven bepalen, zonder bemoeizucht door de overheid. Maar diezelfde overheid moet wel ingrijpen als de buren zich misdragen. Dan moet de overheid opeens alles oplossen en de overheid reageert daarop met ‘incidentenpolitiek’. De tweede paradox is dat de overheid zegt dat er meer ruimte moet komen voor professionals. Maar diezelfde overheid gaat regelmatig op de stoel van professionals zitten en belemmert op die manier innovatie vanuit professionals. Die spiraal van enerzijds opgeklopte verwachtingen bij burgers en anderzijds toenemend wantrouwen in professionals maakt dat echte innovatie in de pulbieke sector niet van de grond komt. Zij pleit voor een politiek die gaat over visies en idealen (en dus niet over incidenten) en voor een andere stijl van politiek bedrijven. Nu is degene die het hardste schreeuwt vaak de winnaar, niet degene met de beste ideeën. De verantwoordelijkheid voor de publieke zaak zou veel minder bij de overheid en veel meer bij de burger zelf én de professionals neergelegd moeten worden.
En dan Herman Wijffels. Ik kan het niet helpen, maar altijd als ik die man hoor spreken hoop ik dat hij de nieuwe leider van het CDA wil worden of dat we iemand zoals hij daarvoor vinden. Wat een visie! Wat een charisma! Dit keer hield hij een betoog over duurzaamheid, mede omdat hij in Utrecht ook hoogleraar duurzaamheid en maatschappelijke verandering is geworden. Hij begon met de vraag: ‘waarom maken we ons druk om duurzaamheid’. Het antwoord daarop was: ‘hetzelfde als de vraag naar leiderschap. Er is tekort aan!’ Hij ging vervolgens in op twee problemen: het ecologisch probleem (overshoot) en het sociaal-organisatorisch probleem (een mismatch tussen mensen en vraagstukken van nu en onze huidige maatschappelijke orde en instituties). Voor wat betreft die overshoot (= meer ge- en verbruiken van natuurlijke hulpbronnen dan op duurzame basis mogelijk is) legde hij haarfijn uit wat er aan de hand is. Al op dit moment, met zo’n 7 miljard wereldburgers, is het meer-gebruik meer dan 50%, waarbij het zwaartepunt bij de westerse wereld ligt. Als we dat afzetten tegen de groei van de wereldbevoling van 6 miljard in 2000 naar 9 miljard mensen in 2050, komt er als we niets doen een verdrievoudiging van het consumptieniveau, dat nu dus al veel te hoog ligt. We leven alsof onze planeet geen limiet kent, maar dat is helaas niet zo. Onze houding zal dus fundamenteel moeten veranderen. In onze westerse wereld is bijvoorbeeld van alles wat we kopen na drie maanden 99% afval geworden. We zullen echt veel zorgvuldiger met grondstoffen om moeten gaan.
Het tweede deel van de probleemstelling ging over de organisaties. Door opleiding en emancipatie past de klassieke piramidale organisatievorm niet meer bij de mensen van nu. Daardoor worden competenties en creativiteit van mensen ook onderbenut en dat tast ook zingeving aan die mensen in arbeid ervaren. Vraagstukken van deze tijd vragen om een andere organisatie. Wijffels noemt m.b.t. die vraagstukken voorbeelden als:
* sociale zekerheid en sociaal beleid van organisaties * de wijze waarop onze democratie functioneert * mondiale vraagstukken t.o.v. de huidige natie-staten * mededingingsrecht en intellectuele eigendom * organisatie van bestuur en governance.
In het industriële tijdperk konden we volstaan met eendimentionaal denken. Het draaide om groei en om winst. Nu zijn meer afwegingen nodig. De cultuur is echter nog niet veranderd. Die is atomisch, egocentrisch van aard. Je gaat voor je eigen belang. Maar hier kunnen we niet mee verder, gezien de problemen waar we voor staan. In tal van opzichten is onze maatschappelijke orde niet meer aan de maat voor deze tijd.
Wijffels schetst een paar contouren, ontwikkelingsrichtinen, voor oplossingen.
In de eerste plaatst ethisch. Willen we in deze wereld, die één samenhangend leefsysteem is, overleven, dan moet er een uitgebreide, relationele ethiek komen. Het moet weer gaan om de vraag hoe we ons tot elkaar verhouden. Elke beslissing die we nemen (dus ook bijvoorbeeld in ons aankoopgedrag) heeft een morele component. Wij moeten met elkaar (burgers, professionals en overheid) veel meer verantwoordelijkheid nemen voor gemeenschappelijke vraagstukken. En daar moeten dus ook instituties op worden aangepast.
In de tweede plaats het terugdringen van de overshoot, zowel in beleid, als in hoe we individueel acteren. En dan niet alleen terugdringen, maar ook ruimte maken voor nieuwe mensen op deze planeet. Processen uit de industriële tijd kunnen we ons niet meer permitteren. Voorraden (grondstoffen) raken op en de negatieve effecten van het verbruik zijn enorm. We zullen dus veel meer cyclisch met grondstoffen om moeten gaan, voortdurend hergebruiken, weg met de wegwerpmaatschappij. Dat vraagt onder andere om een bio-based economy, meer gebruik maken van bio-massa, óók in de chemische sector en in de life sciences.
In de derde plaats moet de wijze waarop de financiële sector zich verhoudt tot de reële economie op de schop. De reële economie wordt nu geexploiteerd door de financiële sector, in plaats van dat deze sector dienend is aan de reële economie. Die dienende rol moet weer terug komen.
Het grote probleem in Nederland is volgens Wijffels dat we momenteel sterk in een nostalgisch politiek-maatschappelijke sfeer zitten. We willen het liefst terug naar het oude en politieke partijen die dit voorstaan krijgen veel stemmen. Maar we kunnen niet terug naar het oude. We moeten écht vernieuwen. We zullen onszelf moeten overstijgen in het eigen belang, door rekening te houden met het algemeen belang. En dat is ook wat natie-staten zullen moeten doen, op basis van het subsidiariteitsbeginsel. Dat betekent dus het intensiveren van relaties op alle niveau’s. Maar ook afstappen van de huidige regels m.b.t. intellectueel eigendom. Kennis hoort open source te zijn, eigendom van de mensheid en niet van individuele actoren.
Wijffels pleit ervoor om op alle niveau’s een overgang te maken van het één dimensionaal denken naar het meer dimensionaal denken. Van het in de juiste orde zetten van doelen en middelen. Op dit moment is het doel en het middel vaak van plaats gewisseld. Winst is bijvoorbeeld een doel geworden, in de zin van aandeelhouderswaarde. Maar winst mag nooit een primair doel zijn, maar moet slechts een middel zijn om diensten te kunnen blijven leveren. Organisaties moeten zich zo ontwikkelen, dat mensen zich er weer in kunnen herkennen, waarin ieder naar zijn vermogen mede-verantwoordelijkheid kan nemen. Van human resource naar human development dus. Nu gaan mensen naar hun werk, terwijl ze het beste van zichzelf thuis laten. De sociale zekerheid moet van zorg-gericht naar ontwikkelingsgericht. Potenties van mensen ontwikkelen en structuren maken waarin mensen weer tot hun recht kunnen komen. De democratie moet van een partijendemocratie opschuiven naar een burgerdemocratie.
Deze omslag vraagt om leiderschap. Wijffels omschrijft leiderschap in een tegenstelling tot management, wat het runnen van de bestaande orde is. Leiderschap is mensen meenemen naar een nieuwe orde. Daar is visie én moed voor nodig.
Ik hoop dat deze drie sprekers u net zo inspireren en aan het denken zetten als zij mij hebben gedaan. Er zijn meer vragen dan oplossingen. Maar één ding is wat mij betreft zeker: er rust een grote verantwoordelijkheid op ons aller schouders!
NL Doet!
1Sinds de lijstverbinding bij de gemeenteraadsverkiezingen was het er nog niet van gekomen, maar vandaag sloegen CDA, Christen Unie en SGP in Huizen de handen ineen en knapten we gezamenlijk de tuin op bij de twee woningen van Philadelphia voor verstandelijk gehandicapten aan de Haar in Huizen. Ook de bewoners zelf werkten hard mee. Zelfs de steeg achter de woningen werd onkruidvrij gemaakt. Goede sfeer, prachtig weer en een heel mooi resultaat.
Met dank aan tuinbedrijf Alexander Westland voor het lenen van de verticuteermachine (dat scheelde echt heel veel!) en aan tuinbedrijf Klein Groenvoorziening voor het sponsoren van het graszaad.
Verder niet veel tekst vandaag, want mijn vingers doen pijn van dit soort werk, dat ik dus ook echt helemaal niet gewend ben. Wel een paar foto’s voor een impressie van de dag:
Minder regels voor minima
0Afgelopen donderdag waren de CDA-afdelingen uit de regio Gooi en Vechtstreek in het gemeentehuis in Hilversum bij elkaar in het kader van wat wij het ‘verticale overleg’ noemen. Dat betekent dus dat we als plaatselijke afdelingen overleg hebben met onze vertegenwoordigers in de provincie en bij het Rijk. Een goed initiatief vind ik, zeker als dit ook leidt tot een gezamenlijke inzet voor een beter beleid.
Dat was donderdag dus ook aan de orde. We spraken met elkaar over een wat ons betreft noodzakelijke vereenvoudiging van inkomensafhankelijke regels. Op dit moment bestaan er alleen al op het landelijke niveau méér dan honderd inkomensafhankelijke wetten of uitvoeringsregels. Die regels stellen ook nog eens allemaal verschillende voorwaarden. De bureaucratie rond de uitvoering van de regels is mede daardoor enorm groot. Gevolg is dat de mensen voor wie de ondersteuning bedoeld is door de bomen het bos niet meer zien.
Het CDA is van mening dat kwetsbare groepen in de samenleving, die langdurig met een laag inkomen moeten rondkomen, een groot risico lopen om sociaal en maatschappelijk geïsoleerd te raken. Dit zou niet nodig hoeven zijn, als deze mensen ook daadwerkelijk gebruik zouden kunnen maken van regelingen die voor hen bestemd zijn. Het hele systeem is echter zo complex geworden, dat de beschikbare financiële middelen vaak niet of niet tijdig terecht komen bij de mensen die dit echt nodig hebben.
Een bijkomend probleem is dat gemeenten gedwongen worden om bij iedere aanvraag om financiële ondersteuning uitgebreid onderzoek te doen, ook als de financiële situatie van de persoon die de aanvraag indient al bij de gemeente bekend is. De kosten van al dit onderzoek zijn zo hoog, dat bijna de helft van het geld dat bedoeld is voor inkomensondersteuning terecht komt bij de uitvoeringsorganisatie. In Huizen hebben we wel een paar maatregelen genomen om zaken maximaal te vereenvoudigen, maar ook wij zijn gebonden aan landelijke regelgeving.
Het CDA in de regio Gooi en Vechtstreek vindt dan ook dat het hoog tijd wordt om regels te harmoniseren en systemen te vereenvoudigen. De regio heeft daarom het verzoek aan het aanwezige Tweede Kamerlid Maarten Haverkamp gedaan, om zich namens de regio Gooi en Vechtstreek in de Tweede Kamer fractie van het CDA sterk te maken voor steun aan een resolutie van de regionale partijgenoot mevrouw DéDé Siemons, die hierover op 2 april a.s. op het CDA partijcongres in den Haag in stemming zal worden gebracht. We rekenen op een positief advies vanuit de Tweede Kamerfractie en daarmee ook op een groot draagvlak voor vereenvoudiging van het beleid vanuit den Haag. Ik ga daar in ieder geval persoonlijk op 2 april voor stemmen, dat moge duidelijk zijn.
















Recente reacties