Als elke seconde telt …

In de afgelopen week was het weer tijd voor een herhalingscursus reanimatie. Een paar jaar geleden, toen onze gemeente begon met het project ‘burgerhulpverlening’ ben ik samen met mijn echtgenoot met die cursus begonnen bij de Stichting Reanimatie Huizen en sindsdien moet dit dus jaarlijks worden herhaald. Het kost een avond per jaar, maar dat hebben wij er graag voor over. Immers elke week worden er in ons land 300 mensen getroffen door een hartstilstand buiten het ziekenhuis. Het gaat om jonge en oudere mensen, mannen en vrouwen. Het kan dus iedereen overkomen, ook vrienden of familieleden in onze eigen omgeving. Als iemand een hartstilstand krijgt, dan nemen zijn of haar kansen om dit zonder complicaties te overleven enorm toe als er binnen 6 minuten gereanimeerd wordt. En omdat de aanrijtijd van een ambulance vaak net iets te lang is om binnen 6 minuten ter plaatse te zijn, zijn burgerhulpverleners (die dus kunnen reanimeren en een AED kunnen gebruiken) van levensbelang. Dit komt dus ook tijdens zo’n reanimatiecursus allemaal aan de orde.

foto reanimatiecursus

In Huizen hebben we er in nauw overleg met onze Regionale Ambulancevoorziening voor gekozen om een groot aantal AED’s (dat zijn apparaten waarmee een soort elektrische schok kan worden gegeven om het hart weer op gang te brengen) in buitenkastjes te plaatsen, waardoor nu bijna overal in onze gemeente, 24 uur per dag, op maximaal 6 minuten afstand AED’s beschikbaar zijn. Ook hebben heel veel mensen uit Huizen zich aangemeld als burgerhulpverlener. Maar helaas zijn dat er nog niet genoeg. Aanmelden kan nog steeds via www.hartslagnu.nl.

Hoe gaat het in zijn werk? Als burgerhulpverlener volgt u een reanimatiecursus. Dat kost u 1 avond. De kosten hiervan zijn 25 euro. Die worden in de meeste gevallen vergoed door uw zorgverzekeraar. Dat geldt dus ook voor de jaarlijkse herhalingscursussen, waarbij de kennis weer even wordt opgefrist en u het reanimeren en het gebruik van een AED ook weer kunt oefenen.

Als iemand een hartstilstand krijgt, dan wordt meestal 112 gebeld. Op dat moment worden twee ambulances gestuurd naar de plek waar het slachtoffer ligt, maar er worden ook gelijk sms-jes gestuurd naar burgerhulpverleners die dus zijn ingeschreven bij Hartslag Nu en die in de nabije omgeving van het slachtoffer wonen. Uit het sms-je blijkt of u direct moet gaan reanimeren, of dat u de AED moet halen. De plek van de AED (en de code van het slot van het buitenkastje) worden daarbij ook doorgegeven. Er worden dus altijd meerdere mensen benaderd. Het doel is dat in ieder geval één of twee personen binnen 6 minuten ter plaatse zijn. Het kan natuurlijk ook gebeuren dat u zelf in de buurt bent als iemand een hartstilstand krijgt. Tijdens de cursus leert u hoe u dit kunt herkennen. U gaat in die situatie natuurlijk zelf 112 (laten) bellen en start gelijk met reanimeren.

In de afgelopen drie jaren heb ik zelf drie keer een oproep gekregen. Eén keer moest ik een reanimatie beginnen. De beide andere keren was er al iemand anders ter plaatse. Het is best even schrikken als je dat overkomt. Maar het is wel heel fijn als je op dat moment weet wat je te doen staat en dat je niet machteloos moet toekijken.

Als u meer wilt weten over burgerhulpverlening, of zelf ook burgerhulpverlener wilt worden, dan kunt u informatie krijgen op de website www.hartslagnu.nl of www.hartstichting.nl/6-minutenzone. U kunt natuurlijk ook de website van de gemeente Huizen bezoeken.

 

Nieuwbouw kinderboerderij

Het is voor mij een lang gekoesterde wens, die nu eindelijk in vervulling lijkt te gaan: nieuwbouw van onze kinderboerderij. Jaren geleden werd daar het gebouw ‘de Ruif’ geplaatst. Dat was destijds een enorme voortuitgang, maar nu is het gebouw wel erg gedateerd. Vandaag was ik er nog en zag ik met eigen ogen wat een schamele huisvesting de medewerkers en de vrijwilligers van de kinderboerderij momenteel hebben. Er is geen verwarming, wat vandaag niet zo erg was natuurlijk, maar als het buiten koud is, dan is het ook echt koud in ‘de Ruif’. Een vloer zit er niet in en ook de keuken, of wat daarvoor door moet gaan, is echt heel armoedig. Kantoorruimte is er niet en eigenlijk is er ook geen representatieve ruimte om gasten te ontvangen. Groepen kinderen zijn welkom in ‘de Ruif’, maar dan moet het weer dat wel toestaan. En dagbesteding voor bijvoorbeeld mensen met een beperking is er al helemaal niet mogelijk. Daarvoor voldoet ‘de Ruif’ beslist niet aan de voorwaarden die de Arbo wet (Arbeidsomstandighedenwet) stelt.

kinderboerderij

Binnenkort is dat verleden tijd. We gaan (als de gemeenteraad daar op 25 juni a.s. mee instemt), een nieuwe, volledig energie-neutrale accommodatie voor de kinderboerderij bouwen. En daar ben ik om meerdere redenen heel erg blij mee.

In de eerste plaats is dat vanwege de recreatieve functie van de kinderboerderij. Vandaag was het er behoorlijk druk vanwege de opening van de bijenschans door mijn collega Gerrit Pas. En dan is duidelijk zichtbaar hoe kinderen (en hun ouders) genieten van de dieren van de kinderboerderij. Dit is voor Huizen (én Blaricum) echt een prachtige recreatieve voorziening, waar ouders met hun jonge kinderen graag naartoe gaan.

In de tweede plaats is dat vanwege de educatieve functie van de kinderboerderij. Want laten we eerlijk zijn: daar waar onze generatie nog opgroeide tussen de dieren (bijna iedereen had thuis wel konijnen, duiven of kippen en er waren ook veel meer boerenbedrijven dan nu), zien kinderen nu nauwelijks nog dieren. Gevolg is dat kinderen soms echt geloven dat melk uit een pak komt en dat ze er geen idee van hebben dat daar een koe aan vooraf gegaan is. Kinderen leren daardoor ook niet meer hoe ze met dieren om moeten gaan, wat  heel veel dierenleed in de toekomst tot gevolg kan hebben. Ik vind de kinderboerderij echt een unieke plek om kinderen te leren over de manier waarop zij moeten omgaan met hun leefmilieu en met de dieren die met ons samen leven. Gerrit Pas deed het vandaag ook fantastisch bij de opening van de bijenschans, door voor de kinderen van scouting Flevo heel klein te maken wat zij daar zelf aan kunnen doen. De bijenstand kan bijvoorbeeld op peil blijven als we niet meer met gif spuiten tegen onkruid en als we plantjes poten waar bloemen uit groeien die goed zijn voor bijen. De gemeente geeft al het goede voorbeeld, maar in iedere tuin kan dit worden nageleefd. Waar leer je dit tegenwoordig nog?

Tenslotte krijgen mensen met een beperking dankzij de kinderboerderij straks ook mogelijkheden om gewoon aan de samenleving mee te doen. Met de stichting Philadelphia zijn hierover al afspraken gemaakt. Van de meer dan 40 cliënten van Philadelphia die in Huizen wonen kunnen tenminste acht mensen straks op de kinderboerderij een nuttige dagbesteding vinden, gewoon midden in de samenleving. Daarnaast hebben we ook afspraken gemaakt met Versa Welzijn om het concept ‘Tijd voor meedoen’ uit te breiden naar locaties buiten de wijkcentra, zoals onder meer naar de kinderboerderij. Bij de wijkcentra melden mensen zich vaak aan die niet vanzelfsprekend een plekje in de samenleving kunnen vinden. Zij krijgen hulp bij het vinden van een plek die echt bij hun talenten past en waar ze zelf ook echt blij van worden. Zo’n plek zou straks ook de kinderboerderij heel goed kunnen zijn. Een plek waar het goed toeven is, samen met kinderen en hun ouders of grootouders, met vriendelijke mensen die echt aandacht voor je hebben, in een mooie groene omgeving met heel veel prachtige dieren. Ik werd er vandaag zelf ook al weer heel blij van om daar te zijn.

Zodra het plan door de gemeenteraad is goedgekeurd gaan we met het bestuur van de Kinderboerderij aan de slag met de realisatie van de nieuwbouw. Bij een kinderboerderij moet altijd rekening gehouden worden met de komst van jonge dieren. Het voorjaar van 2016 is dus minder geschikt voor bouwaangelegenheden. Daarom is de verwachting dat de nieuwbouw van de kinderboerderij begin 2017 zal zijn afgerond. Mét passende (kantoor)ruimte voor de beheerders en de vrijwilligers, mét een fatsoenlijke keuken en koffie/thee/limonade uitgiftepunt, mét kleedruimtes en een douche voor de mensen die er een dagbesteding hebben en mét voldoende ruimte voor natuur- en milieueducatie.  Ik kan eigenlijk niet wachten!

Opening ‘Meentamorfose’

Met gepaste trots mocht ik zaterdag het wijkcentrum ‘Meentamorfose’ openen. De opening ging gepaard met een heus buurtfeest, waarvoor een enorme belangstelling was. Leuk om al die buurtbewoners op deze manier te laten kennis maken met ‘hun’ nieuwe wijkcentrum.

 

opening wijkcentrum 2

De openingsceremonie was het doorknippen van heel veel gekleurde linten, door ook weer heel veel mensen die allemaal gebruik maken van het wijkcentrum. Oud en jong, ziek en gezond, mensen met beperkingen, professionals en vrijwilligers, kunstenaars en sporters, iedereen was er. Ook de wijkagenten waren aanwezig, maar ook al mijn collega wethouders en heel veel raadsleden. Dat laatste is belangrijk, want de raadsleden hebben niet alleen de complete renovatie van de voormalige school tot het huidige wijkcentrum mogelijk gemaakt, maar zij maakten met hun aanwezigheid ook zichtbaar hoe groot de betrokkenheid van de Huizer politiek bij deze wijk is. En dan is het toch heel mooi om te mogen zien waar de investering die we in dit wijkcentrum hebben gedaan toe heeft geleid.

opening wijkcentrum 1

In mijn speech, die ter gelegenheid van zo’n opening altijd vooral kort moet zijn, heb ik drie zaken benoemd. In de eerste plaats was dat de bouw van het wijkcentrum. Het heeft nogal wat voeten in de aarde gehad voordat het besluit is genomen om dat op deze plek te doen. Uiteindelijk heeft de doorslag gegeven dat de plek fantastisch is, midden in de wijk, goed zichtbaar en omgeven door groen. Het is ook doodzonde, met het oog op duurzaamheid, om een gebouw dat nog goed is te slopen. Bij de renovatie is -behalve het achterstallig onderhoud- veel aandacht besteed aan duurzaamheid. Er zijn 32 zonnepanelen op het dak geplaatst om volledig in het energiegebruik te kunnen voorzien. Het dak is geïsoleerd, er is een nieuwe HR ketel geplaatst, er is overal LED verlichting aangebracht etc. Immers, als we in Huizen in 2050 klimaatneutraal willen zijn, dan moeten we zelf het goede voorbeeld geven.

In de tweede plaats heb ik aandacht besteed aan de functie van dit wijkcentrum. Natuurlijk is dat in de eerste plaats een ontmoetingsplek voor de buurt. Tal van activiteiten vinden hier plaats. Maar wat ik er bijzonder aan vind is dat die activiteiten niet door professionals worden ‘bedacht’, maar door de buurtbewoners zelf. Versa Welzijn noemt dit ‘Tijd voor Meedoen’. Het komt erop neer dat mensen die een idee hebben, of een passie, of een bijzonder talent, dit hier kunnen delen met anderen. Ik heb hiervan al hele bijzondere voorbeelden gezien. Het is hartverwarmend om te ervaren wat dit voor mensen oplevert.

Tenslotte heb ik iedereen bedankt die heeft meegewerkt aan de renovatie. Dat is vooral Mieke van Dijk van de gemeente Huizen, die helaas zelf niet bij de opening aanwezig kon zijn, maar héél wat uren bezig is geweest om alles in goede banen te leiden, daarbij geholpen door het bouwbedrijf Bloemendaal, de bouwkundige begeleiding van Henk Burgmans en de architect Gertjan Eekel. Vanuit Versa Welzijn was het vooral Simone Henrichs die hier heel hard aan heeft gewerkt. Wat een prestatie heeft zij hier neergezet. En dat in zo’n korte tijd. Het is ook ongelofelijk hoeveel mensen zij daarbij heeft weten te enthousiasmeren. Hulde! En dan heb ik ook nog Jenny Kleve genoemd, die de egel- en eekhoornopvang (achter het wijkcentrum) heeft ingericht, maar daarbij heel intensief heeft samengewerkt met Simone Henrichs en haar team. Zij heeft haar openingsfeestje in september.

Het wijkcentrum is nu officieel geopend. En het is prachtig! Het centrum is ruim, modern, gezellig en fris en de grote ramen laten veel licht naar binnen. Een plek waar het goed toeven is, voor iedereen die in deze wijk woont of er gewoon eens langs wil komen. De kwaliteit van een samenleving begint, waar mensen naar elkaar omzien. Het zijn de inwoners van deze wijk, die zaterdag hebben laten zien waar zij met elkaar toe in staat zijn.

BEL-Team maatschappelijke zaken

Op 1 december 2014 zijn we gestart met een ‘BEL-Team’: een team van deskundige consulenten dat (op kantoortijden) permanent beschikbaar is om vragen van inwoners uit Huizen, Blaricum, Eemnes en Laren te beantwoorden die verband houden met de nieuwe taken waar de gemeente per 1 januari jl. verantwoordelijk voor is geworden (voortvloeiend uit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, de Jeugdwet en de Participatiewet). Heel veel mensen hebben hier inmiddels gebruik van gemaakt en nog steeds bellen dagelijks gemiddeld zo’n 80 mensen met het BEL-Team. Een schot in de roos dus. Ik ben ook enorm trots op de professionaliteit van onze consulenten, die werkelijk bijna alle vragen direct kunnen beantwoorden. Daar waar dat niet het geval is, krijgen zij hulp vanuit de beleidsafdeling. Een super goed georganiseerde samenwerking. En zolang er nog zoveel vragen komen, blijven we hiermee ook doorgaan.

BEL-team aan het werk

BEL-team aan het werk

Hoewel veel mensen vragen hebben over hun persoonlijke situatie, is de door velen gevreesde situatie waarin vanaf 1 januari 2015 ‘alles fout gaat’ tot op heden uitgebleven. Dat hoor ik niet alleen in onze regio, maar ook bijvoorbeeld van mijn collega uit Almere en van andere collega’s verder weg in het land.

Dat doet mij denken aan een situatie die ik een paar jaar geleden meemaakte bij het opheffen van de zogenaamde ‘Ondersteunende Begeleiding’ (OB). Deze voorziening werd door het rijk wegbezuinigd (dus niet overgeheveld naar de gemeenten) en van meerdere kanten hoorde ik dat er grote onrust over was. De mensen die het betrof zouden tussen wal en schip raken. De maatregel zou tot grote persoonlijke drama’s leiden. Kortom: onverantwoord!

Als wethouder in de gemeente Huizen vind ik (en vond ik dus ook toen) dat niemand in onze gemeente onevenredig getroffen mag worden door een algemene maatregel vanuit het rijk. Ook hier stelde ik dus ‘maatwerk’ voor. Hoewel we er als gemeente geen geld voor kregen, vroeg ik een zorginstelling in Huizen die ca. 50% van het aantal cliënten met OB in Huizen bediende om hoeveel mensen het ging. Die vraag alleen al was lastig, want men registreerde niet op mensen, maar op uren OB. Maar met enige inspanning kon toch een aantal worden genoemd: 50 mensen zouden in de problemen komen door deze maatregel (in heel Huizen dus ongeveer 100). Dat vond ik een te overzien risico. Ik stelde dus voor om deze mensen allemaal naar de gemeente te sturen voor een gesprek. Daar waar nodig, zou de gemeente de financiering van de OB overnemen. Dat vond de zorginstelling te ver gaan. Men stelde voor om dan eerst zelf nog eens goed naar de situatie van betrokkenen te kijken. Dat vond ik uiteraard een nog beter idee en omdat ik eigenlijk zelf ook niet wist wat OB nu precies inhield vroeg ik om voor mij -geanonimiseerd- per betrokkene een half A-4 tje te produceren, waarop zou staan wat er met die persoon aan de hand was, waarom OB noodzakelijk was en wat in dit individuele geval OB dan precies inhield. Dat werd toegezegd. Na enkele weken ontvingen wij 17 van die halve A-4 tjes. Wat was er met die andere mensen gebeurd? Men kon het me niet vertellen. Wel dat zij het inmiddels hadden opgelost. Navraag bij het CIZ leverde op, dat van de 17 beschreven situaties in 10 gevallen sprake was van gediagnostiseerd Alzheimer. Voor deze mensen bleef OB gewoon beschikbaar. Van de 50 mensen waren er dus nog 7 over met een hulpvraag waarvoor OB moest worden ingezet. Ik was bijna geneigd om ongezien akkoord te gaan, maar het CIZ vond de omschrijvingen erg ‘dun’. Dus spraken we af dat deze 7 mensen een gesprek zouden hebben met de gemeente. Er is er één gekomen. En daar hebben we het voor geregeld.

Natuurlijk is de situatie nu anders dan toen. Het gaat nu om veel meer mensen en vaak ook om veel zwaardere ondersteuningsvragen. Maar wat ik destijds wel heb geleerd, is dat we niet altijd direct moeten ingaan op de angst dat er van alles vreselijk fout zal gaan. In Huizen  zijn we gewend om de zaken goed voor te bereiden en dat hebben we nu ook (voor een belangrijk deel ook in regionaal verband) gedaan. Onze werkwijze is zodanig ingericht, dat we waar nodig op het individuele niveau met de betrokken inwoner in gesprek kunnen gaan om te kijken hoe we problemen die zich dan toch nog voordoen samen kunnen oplossen. Daar is ons BEL-Team nu dus ook mee bezig. En uiteraard is dit ook in de gesprekken bij mensen thuis ons gezamenlijk doel.

belteam1

Hulp voor mensen met psychische problemen

Het is al weer december, nog maar een kleine maand te gaan voor de ‘magische datum’ van 1 januari, de dag waarop gemeenten verantwoordelijk worden voor nieuwe taken op het gebied van jeugd, zorg en participatie. In de afgelopen week startte voor Huizen, Blaricum, Eemnes en Laren (HBEL) een ‘Belteam’ om de vele vragen van inwoners te kunnen beantwoorden. En iedere keer als er weer op TV getoond wordt wat er allemaal fout kan gaan, staat de telefoon bij het Belteam de volgende dag roodgloeiend.
Natuurlijk kan er van alles fout gaan, hoe goed we ook zijn voorbereid. Maar ik ben ervan overtuigd dat er ook heel veel beter kan gaan vanaf 1januari.

Zo sprak ik deze week de ouders van een 30 jarige jongeman, die autistisch is en een licht verstandelijke beperking heeft. Zij kwamen met mij praten over de mogelijkheid om een ouderinitiatief te starten, waardoor hun zoon, die zelfstandig woont, in een minder eenzame omgeving zou kunnen wonen. Tijdens dit gesprek werd duidelijk dat in de afgelopen jaren veel is misgegaan. De problemen voor hun zoon waren eigenlijk pas écht begonnen toen hij zijn baan kwijtraakte. Daarna kwam de vereenzaming en het verlies van zelfrespect en daarna ging het van kwaad tot erger en kwam hij in de psychiatrie terecht. Alleen een passende woning bleek voor hem niet de oplossing. Het gesprek ging daarom al snel over werk (Participatiewet) individuele begeleiding (WMO) én passende huisvesting. De individuele begeleiding was inmiddels via Sherpa opgepakt. Voor het zoeken naar passend werk komt er een afspraak met de consulent. En voor het passend wonen bleek er op de korte termijn vooral behoefte te zijn aan een laagdrempelige inloop, een ‘steunpunt’ voor mensen met psychische problemen, zoals Sherpa die ook kent in Baarn en Hilversum. Dat steunpunt zou moeten komen in de buurt van de Kostmand, waar Sherpa meer gelijksoortige situaties kent. Dat komt goed uit, want op de locatie Landweg kan in samenwerking met Versa Welzijn al op hele korte termijn een dergelijk steunpunt worden gerealiseerd. De verbinding met Versa Welzijn is dus ook gelijk maar gelegd. Aanstaande donderdag wordt over deze locatie door de gemeenteraad een besluit genomen. Het is mij deze week weer extra duidelijk geworden hoeveel behoefte daaraan is. Hopelijk kunnen we hier na donderdag vol gas op geven!

Ik zie deze casus als voorbeeld van de enorme kansen die de decentralisaties voor onze inwoners zullen gaan bieden. Immers, in onze gemeenten kijken we naar de mens als geheel, waardoor in het gesprek met onze consulenten problemen rond wonen, zorg, werk, vrije tijdsbesteding etc. in één keer kunnen worden opgepakt en mensen niet meer van het kastje naar de muur worden gestuurd.

Maar ik zie deze casus ook als voorbeeld van wat ons allemaal nog te doen staat voor mensen die in onze gemeente wonen, maar die wij nu nog niet kennen. Vanuit de regio hebben wij de stichting Mee gevraagd om te onderzoeken hoeveel mensen met een psychische aandoening in onze regio op dit moment zelfstandig wonen (al dan niet met een indicatie voor begeleid wonen) maar net als de jonge man in deze casus meer hulp nodig hebben. Ik hoop daarmee een beeld te krijgen van de omvang van de problematiek in Huizen.

Met Philadelphia zijn we inmiddels in gesprek over 40 nieuw te bouwen woonstudio’s voor mensen met een verstandelijke beperking die nu in Huizen in een veel te kleine woning verblijven. Misschien komt uit het onderzoek van MEE wel naar voren dat er ook passender woonvoorzieningen nodig zijn voor mensen met een psychische aandoening, die met lichte ondersteuning wel zelfstandig kunnen wonen. In dat geval zal ons college zich daar zeker ook sterk voor maken.

Voorlichtingsbijeenkomsten PGB

In de afgelopen week bezocht ik een voorlichtingsbijeenkomst over de veranderingen m.b.t. het PGB. Deze bijeenkomsten worden in de hele regio (zo ook in Huizen) georganiseerd en zijn bedoeld om mensen met een PGB te informeren over de veranderingen m.b.t. het zogenaamde ‘trekkingsrecht’ die hen te wachten staan vanaf 1 januari 2015. Zie hierover o.a. http://www.svb.nl/int/nl/ssp/index.jsp

Omdat het de laatste keer was dat we in Huizen zo’n bijeenkomst hadden, had ik mij voorgenomen om eens te komen luisteren. De opkomst was goed. Er waren ca. 40 personen aanwezig in de Raadszaal. Saloua Chaara begon met een korte toelichting op het gemeentelijke beleid. Tot mijn verrassing leidde die toelichting direct al tot veel discussie, waaruit ook veel wantrouwen in de richting van de gemeente naar voren kwam. Saloua wist alle vragen te beantwoorden. Goede suggesties nam zij gelijk over. Want natuurlijk kunnen zaken in de uitvoering altijd beter en helpt het als mensen verbeterpunten aangeven. Ondanks de emotie en soms zelfs de boosheid uit het publiek bleef zij rustig en vriendelijk. 

PGB3

Na Saloua nam Tessy van Elk, medewerkster van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) het woord. Zij legde heel helder uit wat de SVB vanaf 1 januari 2015 voor PGB houders gaat doen. Maar ook dit verhaal leidde tot veel emotionele reacties uit het publiek.

PGB1

Ik heb na afloop nog wel een tijdje over deze bijeenkomst nagedacht. Huizen schafte als tweede gemeente in Nederland de controle op het PGB af. We voerden als eersten de persoonsvolgende financiering in (een soort PGB met trekkingsrecht bij de gemeente). We werken al jaren vraaggestuurd als het gaat om maatschappelijke ondersteuning en we hanteren daarbij open einde financiering. We interviewden vooruitlopend op de decentralisaties bijna alle ouders met thuiswonende gehandicapte kinderen met een PGB om ons goed voor te bereiden op de nieuwe taken die op ons afkomen. Maar dit alles is dus voor mensen met een PGB op dit moment nog niet genoeg om vertrouwen in het beleid van de gemeente te hebben.

Op de belofte van Saloua (door mijzelf ook bevestigd) dat de gemeente er is voor de PGB houders en dat wij de zorg zullen blijven garanderen die noodzakelijk is, werd eigenlijk vooral met wantrouwen gereageerd. Eén aanwezige vroeg bijvoorbeeld om meer regels op schrift. Toen Saloua uitlegde dat we juist minder regels wilden zei deze aanwezige: “Nou, dan gaan we straks allemaal zelf bepalen wat nodig is”. Daarop zei Saloua: “Dat willen wij nu juist ook zo graag. Dat niet wij als gemeente, maar juist uzelf aangeeft wat u nodig heeft”. Hoeveel duidelijker kunnen we dit nog zeggen?

Ik vond het opvallend dat er veel vragen waren over bestaande ‘rechten’ zoals hulp bij het huishouden en een vast bedrag voor onkosten. Van dit laatste zei Saloua: “Dat is straks niet meer standaard. Als u bepaalde kosten zelf kunt betalen, dan heeft u die vaste bijdrage niet nodig. Maar als u die kosten niet kunt dragen, dan zorgen wij in uw individuele situatie wel voor een passende vergoeding”. Die uitspraak leidde tot grote verontwaardiging.

Terugkijkend op deze bijeenkomst denk ik, dat niet alleen de gemeente de cultuuromslag heeft moeten maken naar vraaggestuurd werken, maar dat ook betrokkenen zelf daar nog erg aan moeten wennen. Niet langer gaan we straks allerlei ‘rechten’ verzilveren. We gaan samen met mensen kijken naar wat zij nodig hebben, voor zichzelf, of voor hun partner of kind dat zorg nodig heeft. En ja, inderdaad, wat nodig is garanderen we, maar wat niet nodig is regelen we dus ook niet. En vooral dat laatste zal de komende tijd nog wel verontwaardiging blijven opleveren. Daar moeten we ons dan ook maar op voorbereiden. Het is mijn ambitie (en Saloua verwoordde die ambitie ook heel goed voor alle medewerkers van de gemeente) dat al onze inwoners de zorg krijgen die zij nodig hebben om zo volwaardig mogelijk aan de samenleving te kunnen blijven meedoen. En daar staan wij in Huizen dan ook voor. Niet meer en niet minder.

Bezuiniging op huishoudelijke hulp

Het kabinet heeft forse bezuinigingen (40% van het totale budget) doorgevoerd op de huishoudelijke hulp. In sommige gemeenten wordt om die reden alleen nog maar huishoudelijke hulp ingezet in zeer schrijnende situaties, bijvoorbeeld bij ernstige vervuiling of verwaarlozing. In Huizen hebben we daarvoor niet gekozen, juist omdat we kwetsbare mensen (veelal ouderen) dit niet aan willen doen. Maar dat er als het gaat om huishoudelijke hulp versoberd moet worden, dat is ook in Huizen helaas niet anders.

Wij hebben ons voorgenomen om hierover met iedereen die via de gemeente huishoudelijke hulp krijgt persoonlijk in gesprek te gaan. Die gesprekken zijn inmiddels gestart. Het valt daarbij op dat de meeste mensen wel begrip hebben voor de situatie, maar natuulijk vindt niemand het leuk dat als aantal uren huishoudelijke hulp vermindert. Dat is ook heel begrijpelijk. Immers, er wordt met deze versobering toch altijd iets ‘afgenomen’ waar mensen aan gewend geraakt waren.

De consulenten die de gesprekken met betrokkenen momenteel voeren hebben dan ook zeker geen gemakkelijke taak als ze de situatie aan mensen uit moeten leggen.Toch zie ik aan de wijze waarop de gesprekken worden gevoerd, dat door onze consulenten echt heel goed en gedegen samen met deze mensen gekeken wordt wat er nu precies wel- en wat niet meer door hen zelf in het huishouden gedaan kan worden. In het verleden werd meestal een standaard aantal uren geïndiceerd (bijvoorbeeld 3 uur), terwijl nu meer doorgevraagd wordt op de taken die de huishoudelijke hulp moet overnemen.  Op basis daarvan wordt gekeken of een versobering mogelijk is. Als dat kan, dan doen we dat ook. Als dat echt niet verantwoord is, dan wordt dat ook niet voorgesteld. Ook hier blijven we staan voor maatwerk.

 

 

Respect in een tijd van sociale ongelijkheid

Tijdens mijn vakantie las ik het boek van Richard Sennet: “Respect in een tijd van sociale ongelijkheid”. Ik wil daaruit graag wat hoofdlijnen met u delen.

Sennet begint dit boek met het beschrijven van een woningbouwproject in een woonwijk in Chicago, waarin hij als kind opgroeide. Het project was goed bedoeld (huisvesting voor de armen), maar het probleem was dat het woningbouwproject de mensen de controle over hun eigen leven ontnam. Zij waren volgens Sennet “de betaalde toeschouwers van hun eigen behoeften, slechts consumenten van de zorg die aan hen werd verleend. Zij ervoeren dan ook het typische gebrek aan respect dat eruit bestaat dat men niet wordt gezien, dat men niet wordt beschouwd als een volwaardig mens”.

Wanneer zien wij een volwassen persoon eigenlijk als ‘volwaardig mens’? Opmerkelijk genoeg is dat in iedere cultuur verschillend. Sennet beschrijft dit als voor onze westerse samenleving als volgt: “In onze cultuur is er niets beschamends aan als iemand zegt: “ik heb hulp nodig”, zolang de persoon die deze uitlating doet de situatie nog beheerst. Mensen willen zelf de controle hebben over wat zij zien en de manier waarop zij gezien worden. Alleen dan kunnen zij zich een ‘volwaardig mens’ voelen. (…) Een van de culturele consequenties van deze traditie is dat mensen zich vernederd voelen als ze om hulp moeten vragen of hun zwakte moeten tonen. (…)” 

In Amerika ontdekten bijstandsonderzoekers Richard Cloward en Frances Fox Piven dat bijstandsgerechtigden vaak het gevoel hebben dat zij zonder respect behandeld worden en dat men hen ‘moet hebben’, zelfs wanneer ze kunnen aantonen daadwerkelijk hulp nodig te hebben. Sennet verklaart dit gevoel als volgt: “Eenmaal in de bijstand verliest men al snel de controle. Niets is meer privé. Men kan zich niet meer verschuilen”(…).

Deze week moest ik hieraan denken, toen ik een gesprek had met iemand die deze ervaring in onze eigen gemeente Huizen ook heeft gehad. Het gevoel dus, om niet beschouwd te worden als volwaardig mens. Een gevoel van ongelijkheid. Immers, de hulpverlener die tegenover jou zit, heeft meer macht dan jij. Hij of zij kan voor jou essentiële beslissingen nemen. Jij hebt er zelf geen controle meer op. Die ervaring leidt tot schaamte, onmacht, woede en frustratie.

De ongelijkheid tussen mensen die Sennet beschrijft, gaat vooral hierover. Het is niet zo erg om te erkennen dat mensen ongelijk bedeeld zijn als het gaat om talenten. Niet iedereen is een begaafd wiskundige of een virtuoos pianospeler. Daar gaat het dus ook helemaal niet om. Ongelijkheid wordt pas ervaren, als er geen wederzijds respect is.

De centrale vraag die Sennet in zijn boek stelt is: “Hoe kan men met wederzijds respect de grenzen van ongelijkheid overschrijden?” De kern van zijn antwoord is, dat we moeten leren om het elementaire feit te respecteren dat ieder mens anders is. Echt respect hebben voor iemand betekent dat je jezelf niet op de ander moet projecteren. Je moet de autonomie en de behoeften van anderen serieus nemen.

In onze gemeente doen onze consulenten er alles aan om mensen autonomie toe te kennen en om hun behoeften als uitgangspunt te nemen. Vraagsturing noemen we dat. We willen niet dat mensen die hulp van de gemeente nodig hebben zelf daarop de controle verliezen. In tegendeel, we willen juist dat zij met een beetje hulp vanuit de gemeente de regie over hun leven (weer) zelf kunnen oppakken. 

We moeten wel erkennen dat er altijd een zekere mate van afhankelijkheid is in de relatie tussen een consulent en een hulpvrager. Die afhankelijkheid is echter niet het grootste probleem. Het wordt pas een groot probleem, als we de fout maken om te ontkennen dat inwoners die bij ons komen met een verzoek om hulp, zelf in staat zijn om mee te denken over de voorwaarden van die afhankelijkheid. Die fout leidt er toe dat we het zelfrespect van mensen beschadigen en daar kunnen zij -ook na heel veel jaren- nog heel erg onder lijden.  

Ik vind het erg goed dat onze consulenten juist rond dit thema ook onderling ‘intervisie’ organiseren. ‘Wederzijds respect’ is zo’n gemakkelijk en algemeen geaccepteerd begrip. Maar écht respect hebben voor anderen, in welke situatie die ander zich ook bevindt en welke keuzes die ander ook maakt of heeft gemaakt, dat vraagt voortdurend om een persoonlijke inspanning. Er zitten ook grenzen aan die inspanning, die consulenten voor zichzelf ook mogen en moeten stellen. Dat is soms erg moeilijk en al helemaal niet vanzelfsprekend. Maar het is wel waar we in Huizen voor gaan: “met wederzijds respect de grenzen van ongelijkheid overschrijden”.

Werkbezoek aan DAC-WESPP

Gisteren bracht ik een werkbezoek aan DAC WESPP in Hilversum. Deze organisatie is onderdeel van GGZ Centraal en zorgt voor “dagactiviteiten, werk en scholing voor mensen met een psychiatrische achtergrond”.  (bron:  http://www.ggzcentraal.nl/merken/mauritzhof/dac-wespp/dac-wessp-gooi-en-vechtstreek)

Ik werd rondgeleid door een zeer gedreven Arjan Kamphuis, die niet alleen voorzitter van de cliëntenraad is, maar ook voorzitter van de regioraad Gooi en Vechtstreek. Hij zet zich enorm in voor het mogelijk maken van een zinvolle dagbesteding voor mensen met een psychiatrische achtergrond. 

Arjan Kamphuis

Arjan Kamphuis

 De locatie in Hilversum heeft een regionale functie. Het kent een secretariaat en een afdeling waar computervaardigheden geleerd kunnen worden en waar administratief werk gedaan wordt. Heel indrukwekkend vond ik persoonlijk het restaurant, waar dagelijks voor ca. 12 mensen wordt gekookt voor slechts € 3,50. De medewerkers doen zelf alle boodschappen en zetten in een brandschone keuken voor hun gasten een gezonde maaltijd op tafel. Het is veel organiseerwerk, maar ook dat wordt door de medewerkers zelf allemaal geregeld. Petje af!

Ook zeer onder de indruk was ik van ‘de schatkamer’. Een winkel, waar tal van leuke snuisterijen te koop zijn, maar ook hele mooie zelfgemaakte spullen van hout, zoals vogelhuisjes, insectenhotels, schaakspellen, tafels en kasten etc. Het atelier waar deze spullen worden gemaakt bevindt zich boven de winkel. Norbert Akkerman is het enthousiaste aanspreekpunt voor de winkel. Hij kwam speciaal voor mijn bezoek nog even naar de winkel terug.

Norbert Akkerman

Norbert Akkerman

 Wat me diep raakte in de gesprekken met de mensen die in DAC-WESPP aan het werk waren is de openheid waarmee mensen bereid waren hun levensverhaal met mij te delen. En die verhalen zijn stuk voor stuk aangrijpend. Wat kunnen mensen soms diep in de put raken door omstandigheden van buitenaf, maar ook door de ziekte waar zij mee te dealen hebben. Zulke mooie mensen, met zoveel talenten! Maar ook zulke beschadigde mensen, die heel graag gewoon mee willend doen in de samenleving, maar ook bang zijn om, zoals zij dat noemden: “weer naar buiten” te gaan.

Ik vind dat we ons als samenleving moeten inspannen om deze mensen in te sluiten en niet buiten te sluiten. Dat lukt alleen als we hen ook de veiligheid kunnen bieden die daarvoor nodig is.

Arjan Kamphuis sprak zijn zorg uit over toekomstige bezuinigingen. Is er straks bij gemeenten nog wel een plekje voor mensen met psychische beperkingen? En wat gaat er gebeuren met voorzieningen als DAC-WESPP ?

In onze regio wordt fors ingezet op wat wij noemen: het preventieve voorveld: Voorkomen dat mensen door ziekte of sociale omstandigheden onnodig in zware zorgsituaties terecht komen. Wat mij betreft levert DAC-WESPP een bewijs dat die aanpak werkt.

Zijn sociale wijkteams een hype?

Met belangstelling las ik het artikel van Margot Limburg van 6 juli jl. in het blad ‘Binnenlands Bestuur’. Zij stelt daarin dat gemeenten het ene na het andere sociale wijkteam uit de grond, stampen. Beter gecoördineerde zorg voor minder geld is het idee. De praktijk blijkt volgens haar anders. Wijkteams kunnen ook een markt voor zorg creëren of juist extra hulpvragen oproepen. Vandaar haar vraag, of we met de sociale wijkteams wellicht een bureaucratisch monster aan het optuigen zijn.

In het artikel worden ook opvattingen van o.a. Jos de Blok, directeur van Buurtzorg Nederland, de vereniging voor sociale diensten, Divosa, en de brancheorganisatie voor schuldhulpverlening, de NVVK, uiteengezet.

Jos de Blok, op zichzelf een voorstander van sociale wijkteams, beschrijft in het artikel het risico dat er een te groot overleg­circuit wordt opgetuigd, waar betrokkenen zelf (de inwoners) te weinig in worden gehoord.

De vereniging voor sociale diensten Divosa noemt de wijkteams een trend die zelfs al een hype dreigt te worden. Daarbij lijkt het erop dat het inrichten van een wijkteam eerder doel is dan middel. Volgens Divosa-leden hebben de wijkteams veel voordelen, maar bestaat het risico dat de teams te zwaar worden opgetuigd. Groot bezwaar is dat de wijkteams in sommige gemeenten worden ingezet voor iedereen met een hulpvraag en dus als toegang dienen voor álle dienstverlening. Dat is onnodig en het kost veel geld. Met name als de grote groep mensen waar de problematiek enkelvoudig is, via deze brede toegangspoort naar hulp wordt geleid. Daarbij kost volgens Divosa het oprichten van wijkteams veel geld. De leden van Divosa vinden bovendien dat wijkteams erg op zorg gericht zijn en minder op participatie. ‘Het kan daarmee ook een markt voor zorg creëren of juist extra hulpvragen ophalen’, is de vrees.

De brancheorganisatie voor schuldhulpverlening, NVVK, is ook kritisch over de inzet van wijkteams. Voorzitter Joke de Kock: ‘In sneltreinvaart worden de teams ingericht, soms zelfs visieloos. Als je maar een sociaal wijkteam hebt, lijkt het idee.’ Volgens De Kock worden de teams ook te zwaar opgetuigd. Tegelijkertijd is schuldhulpverlening niet in alle teams aanwezig. Over de problemen die ontstaan als een regisseur zonder kennis van zaken zich met schuldhulp bezighoudt, komen inmiddels de eerste geluiden binnen. Ook wordt schuldenproblematiek soms niet opgepakt.

In Huizen (en dat geldt overigens voor de hele regio Gooi en Vechtstreek) hebben we in de afgelopen jaren heel bewust gekozen voor een centrale toegang tot alle individuele maatschappelijke ondersteuning via de gemeentelijke consulenten. Achterliggende gedachte was, dat onze inwoners zélf daardoor weer in staat gesteld worden om aan te geven wat nodig is, zonder dat professionals dat perse voor hen moeten vaststellen. We blijven die vraaggestuurde lijn ook na 2015 voortzetten. Onze inwoners hoeven dus niet naar een sociaal wijkteam, waarin professionals met elkaar de schaarse middelen moeten verdelen. Zij kunnen met hun hulpvraag terecht bij de gemeentelijke consulent.

Wij weten uit gesprekken met onze inwoners dat de formele scheiding tussen zorgvoorzieningen (met name via de huisarts) en welzijnsvoorzieningen (met name via de gemeentelijke consulent) in het dagelijks leven van mensen niet altijd mogelijk en/of wenselijk is. Daarom is het nu al van groot belang dat er in complexe individuele situaties een goede afstemming plaats vindt tussen huisartsen en gemeentelijke consulenten. In Huizen investeren huisartsen en consulenten daar al enkele jaren in.

Toch zien wij zeker wel een rol voor sociale wijkteams, met name waar het gaat om signalering van knelpunten in buurten en wijken en de preventie van sociaal isolement. Daarvoor is afstemming van preventieve activiteiten tussen de eerstelijnszorg en de welzijnssector beslist nodig. Wat ons betreft tuigen we daarvoor geen grote bureaucratische wijkteams op, maar bestaan onze wijkteams vooralsnog uit de wijkverpleegkundige (als schakel naar de huisarts en de eerstelijnszorg) en de welzijnswerker (als schakel naar de gemeentelijke consulent). Samen hebben zij in buurten en wijken een sterk netwerk (denk maar aan huisartsen, schoolbegeleiders, wijkagenten, maatschappelijk werkers etc.), dat hen behulpzaam kan zijn bij het signaleren van problemen en het vroegtijdig helpen aanpakken van problemen in het eigen netwerk van mensen, waarbij dan vaak helemaal geen gemeentelijke voorzieningen nodig zijn.

Ik maak mij in deze constructie niet zoveel zorgen over het ontstaan van een nieuwe ‘markt’ en het oproepen van extra hulpvragen. Dat risico is er mijns inziens niet, omdat de toegang tot zorg en individuele maatschappelijke ondersteuning gewoon via het gesprek bij resp. de huisarts en de gemeentelijke consulenten blijft verlopen. Veel belangrijker vind ik dat sociale wijkteams hun signalerende functie in buurten en wijken goed kunnen vervullen. Niet iedereen komt helaas nog uit zichzelf of via de huisarts bij de gemeente terecht. Als de sociale wijkteams erin slagen om beter en tijdiger te signaleren waar individuele hulp nodig is en de noodzaak van individuele hulp uit het gesprek met de inwoner duidelijk kan worden vastgesteld, dan horen we er als gemeente juist ook voor deze inwoners te zijn.